Mythen en Sagen uit Flevoland

door Gerard Beense

Het Almaarse Godenrijk

De Onwerkelijke Wezens van Azeser

Dat in, op en boven de Gronden levensvormen zijn geweest die niet voor mogelijk zijn gehouden wordt onthuld in deze geschiedenis. Eén man vertelt daar over. Zijn getuigenis wordt ontvangen in verwerpelijkheid.

Flevo Batavus dicht bij aanvang van dit verhaal:

 

Zijn zien leek
in de stroom te vergaan.
Maar zij, zij zei:
De tijd zal het ons leren
maar hij is nog niet daar,
het is te vroeg om te verstaan.
Doch eens zal men zeggen,
wat hij zei, dat is waar.
Dat wat jij hebt gemaakt
zal daar waar men je hoonde
groter wederkeren dan wat je hen toonde.

 

Door de weidse zuidelijke wouden van de Gronden aan de Schokkerkaap stroomde de Mare. Een ondiepe waterloop die soms verschrompelde tot een bijna droge bedding en soms, als door zijstroompjes het regenwater van de hoger gelegen gronden kwam, gestaag maar gretig het omliggende land overspoelde. Een van die kronkelende zijstroompjes was de Boyte. Aan de oever van een wending in deze waterloop hadden grondenbewoners een gehucht gevestigd dat door hen de Bocht van Boyte werd genoemd. Niet alleen jagers en vissers verbleven er. Ook enkele bewoners die de jacht op beer en baars vaarwel hadden gezegd. Her en der hadden zij grote groepen bomen verwijderd om op de ontwortelde grond eetbare gewassen te verbouwen. Slechts als het water over de oevers trok wilden zij zich nog wel eens als vanouds naar schol of zwijn wenden.

 

De Almaarse dichter Posoral vertelt het in zijn vers als volgt:

 

De Bocht van Boyte

Ook in de zuidelijke wouden

van de Gronden aan de Schokkerkaap

hadden enkelen een woonplek gevonden

waar zij eetbare gewassen verbouwden

en de jacht op beer en baars hadden gestaakt.

Alleen als het water in Boyte's Bocht

meer ruimte om te stromen zocht,

werd het oog, zo wordt gezegd,

naar vangst van schol en zwijn verlegd.

Doch immer slechts voor korte tijd

want als het wassende water weer verdween

ging ook de zucht naar jagen heen

en werd hun aandacht zonder spijt

opnieuw aan kool en biet gewijd.

 

Een van hen die er een plekje om te wonen had gevonden was Azeser. Een man zonder vrouw of kind aan zijn zijde. Waar hij zo vandaan kwam was niemand bekend. Hij leefde een teruggetrokken bestaan en had nabij de Bocht van Boyte, tussen de bomen die wortelden aan de rand van de stroom, een klein onderkomen gebouwd. De grondenbewoners van de Bocht van Boyte bemoeiden zich nauwelijks met hem en hij niet met hen. Hij was en bleef een vreemdeling. Maar soms liet hij zich gaan en dan vertelde hij aan een ieder die het kon horen over dieren die geen van hen ooit had aanschouwd. Dieren in de zee. Dieren in de lucht. Dieren op de gronden. Dieren zo vreemd van vorm, zo ver verwijderd van het weten. Dieren zo gevaarlijk en gretig in hun gulzigheid en zo groot en gruwelijk van gestalte, dat Azeser's vertellen over hen in de Bocht van Boyte vrees verspreidde.

 

In een van zijn verzen over deze geschiedenis dicht Posoral het aldus:

 

Een Vreemde Vent

Bij de Bocht van Boyte verbleef een man

die zijn gezicht slechts, zo nu en dan

in het dorp zien liet,

van waar hij kwam

dat wist men niet.

Dat, vrouw noch kind, voor zijn gaan

in het Bestaan waren bestemd,

was een ieder echter wél bekend.

Een vreemde vent,

zo vond men hem.

Zeker als hij met luide stem

liet horen dat, hij kennis had

over het weten wat

er eens in het Bestaan,

zo gruwelijk van gedrag en gedaante,

over de Gronden moet zijn gegaan.

Als hij hen daarover verhaalde,

hoorde men hem met vrees en beven aan.

 

De eerste keer dat hij verhaalde over reusachtige vogels die eens onder de wolken wiekten met klauwen die beren, paarden en elanden als bloemen uit het veld plukten, lachten ze nog om hem. Niemand erkende echter, na zijn verhaal gehoord te hebben, angstig maar toch ook nieuwsgierig naar de wolken te hebben gekeken. Toen hij daarna een keer onthulde dat de zee eens bevolkt was door monsterachtige vissen die de golven soms verlieten om op het land te gaan jagen, hoorde men hem gelaten grijnzend aan. Maar geen grondenbewoner ging daarna nog de zee op zonder aan zijn verhaal te denken. En een ieder zag wel dat steeds vaker menigeen het zilte nat minder moedig tegemoet trad dan voorheen.

 

Posoral schrijft hierover in zijn gedicht:

 

Uit Wolken en het Zilte Nat

Zij blikten bevend naar boven

alsof daar nog steeds de vogels vlogen

waarover Azeser hen had verteld

dat zij beren, paarden en elanden plukten

als bloemen uit het vrije veld.

Vogels met klauwen die het leven rukten

uit alles wat maar bewoog,

of het nu op de gronden graasde

of vrij tussen de wolken vloog.

 

Ze keken met vrees naar de zee,

nadat Azeser hen had onthuld

dat hij het weten bezat,

dat het zilte nat

eens met monsters was gevuld,

die soms ook over de gronden gingen

en alles vingen dat het vluchten vergat.

Ja, zo keken zij naar de zee,

met in gedachten

het angstige wachten

op gruwels die de gronden konden beklimmen

om opnieuw met hun jacht te gaan beginnen.

 

Nadat Azeser eens had verteld over dieren, groter dan de grootste bomen, bijna bewegende bergen, met kaken en klauwen die het leven op het land minachtend vermorzelden en de grond waarop ze liepen deed trillen en dreunen, begon men in verwarring te geraken en bevreesder en bevreesder te worden. Maar na enige tijd veranderde hun angst in boosheid. Men joeg hem sindsdien weg als hij hen naderde. En men schold hem uit, beschimpte en bespotte hem en hoonde hem na als hij huiswaarts keerde.

Hij gedraagt zich als Bandémen, de God die chaos mag brengen, zo werd alom verteld. Wij zullen hem eens laten weten dat hij dat niet is. Hun groeiende woede ging gepaard met gebalde vuisten en stevig schelden en sneren.

 

Dit deel van het verhaal vertolkt Posoral in een tweetal verzen:

 

Goter Dan Ooit Voor Mogelijk Gedacht

Hun verwarring en angst werd nog sterker gevoed

door het weten dat Azeser hen bracht

over dieren die met één simpele stap van hun voet

de gronden deden trillen en beven,

dieren met ontzaggelijke kracht,

en groter dan ooit voor mogelijk gedacht,

met klauwen en kaken, die zolang

graaien en malen bleven,

dat het slechts aan weinigen was gegeven

hun gaan over de gronden te overleven.

 

Beschimpt en Bespot

Doch hun angst en beven

werd door boosheid op Azeser verdreven

Met opgeheven vuisten werd hij,

beschimpt en bespot

en men zei:

Hij waant zich een God

die in het bezit van de chaos is.

Wij zullen hem wel laten weten

dat dit niet zo is.

 

Het duurde niet lang of de berichten over de verhalen van Azeser bereikten de andere bewoners in en rondom de Gronden aan de Schokkerkaap. Ook de Goden vernamen er van. Ze spraken er slechts kort over. Wat zij elkaar vertelden en hoe hun gedachten over deze gebeurtenissen waren, is verborgen gebleven in het fluisteren van het gebladerte in de Goddelijke Wouden.

De geruchten over de vertellingen van Azeser bereikten ook Pamphuse op de zandheuvel Pampi. Het was voor de Over de Kim Kijkster een reden om naar de Bocht van Boyte te gaan. Haar verschijnen daar werd door velen als een teken van de Goden gezien. Met ontzag trad men haar tegemoet. Pamphuse, zo dacht men in de Bocht van Boyte, zou de leugens van Azeser wel weerspreken.

 

Posoral dicht over dit vernemen van de Goden en het komen van Pamphuse naar de Bocht van Boyte:

 

Over Gedachten en Verwachten

Ook de Almaarse Goden

hebben van Azesers verhalen vernomen,

doch hoe zij daarover spraken en dachten,

en of het goed was of fout,

een leugen en daarom niet kon deugen,

bleef verborgen in het gefluister

van de bladeren aan de bomen

die behoorden bij het Hart van het Goddelijk Woud.

 

En ook Pamphuse,

met haar Over de Kim Kijkende Krachten,

had haar oren te luister gelegd.

Toen zij in de Bocht van Boyte verscheen

werd door menigeen al gauw gezegd

dat zij was gekomen om aan te tonen

dat waarover Azeser gesproken had,

geen enkele grond van waarheid bezat.

 

Belangstellend hoorde de Over de Kim Kijkster het roddelen en smoezen over de vertellingen van Azeser aan. Kort na haar aankomst was ze zelfs getuige van een nieuw bezoek van Azeser aan de Bocht van Boyte. En zoals hij eerder had gedaan verhaalde hij over dieren die over de gronden hadden gezworven. Bij het zien van Pamphuse glimlachte hij en zette hij de rieten mand die hij droeg op de grond. En alleen de Over de Kim Kijkster bemerkte de voldoening en zekerheid in zijn blikken.

De bezieling waarmee Azeser vervolgens vertelde over ruig behaarde, meer dan driemanshoge dieren, met koppen als rotsblokken, leek vuriger dan voordien.

“Ze hadden enorme oren die als gigantische bladeren dreigend waaierden en wapperden.” zo hield hij zijn gehoor voor. “En uit hun koppen staken twee, meer dan vijf pas lange, vervaarlijk gekrulde tanden met daartussen een neus die slingerde als een reusachtige worm. En daarmee konden ze bomen uit de grond rukken en elke belager vast grijpen om te vermorzelen of tientallen passen ver weg te smijten. Ze brulden of hinnikten niet, nee, ze schreeuwden door die slingerende lange neus met snel opeenvolgende kreten die je verstijfd deden staan van schrik.”

 

Posoral dicht over deze getuigenis van Azeser:

 

Over Dieren met Koppen als Rotsblokken

En Azeser was niet te stoppen met zijn verhaal

toen hij sprak over ruig behaarde dieren met koppen,

zo kolossaal

dat het wel rotsblokken leken,

met daarnaast, platte, ronde manshoge oren

die donker en dreigend uiteenweken

en wapperden van achteren naar voren

en je het naderen verbood.

Ieder dier had ook twee lange

scherpe tanden van elk vijf passen groot

die je naar vluchten deed verlangen,

ver weg van een dodelijke stoot.

En daartussen kon je, in de vorm van een worm,

hun enorme neus zien hangen,

groot en lang, groter dan de grootste slang

die men ooit had kunnen vangen.

En daarmee rukten ze bomen uit de grond,

smeten ze belagers in het rond,

schreeuwden ze en schetterden ze,

verpletterden ze elk gevaar

dat hun pad betrad,

ja, met vernietigen en vermorzelen

waren ze zo klaar.

 

Uit zijn kleding haalde Azeser een korte dikke tak tevoorschijn die uitgehold bleek te zijn want met korte snelle stoten blies hij er door. Het geluid dat uit de tak kwam was schril, scherp en snijdend. De verzamelde grondenbewoners deinsden geschrokken terug.

“Dit lijkt op het lawaai dat ze lieten horen.” zo vervolgde Azeser zijn verhaal. “En dat deden ze met die lange, slingerende neus niet één, maar vele keren achter elkaar.”

Opnieuw zette hij de tak tegen zijn lippen om er in te blazen. Het geluid, fel en vinnig, sneed scherp schetterend door de lucht. Het deed de menigte nog verder terugwijken.

Pas nadat Azeser de schettertak tussen zijn kleding had weggeborgen klonken er onverstaanbare opmerkingen die weldra overgingen in geschreeuw en gescheld. Maar dat hield abrupt op toen Azeser zijn hand op stak.

“Ik heb de dieren nagemaakt.” riep hij. “Als jullie willen dan zal ik ze laten zien.”

In de stilte die na zijn woorden bleef hangen bukte hij zich om de rieten mand van de grond te pakken.

Er klonk opnieuw geroezemoes.

“We willen ze graag zien.” riep een stem.

Het was Pamphuse. De menigte zweeg en week uiteen toen de Over de Kim Kijkster op Azeser toe stapte.

De verteller van de vreemd gevormde dieren knikte en haalde een vijftal voorwerpen uit de mand en plaatste die op de grond voor Pamphuse.

“Ik heb ze uit hout gesneden.” zei hij. “Ze zijn elk een vuist groot. Maar in werkelijkheid zijn ze tientallen malen vele vuisten groter.”

 

In zijn gedicht vertelt Posoral het als volgt:

 

En Pamphuse Stapte Naderbij

En terwijl Azeser sprak

toonde hij zijn schettertak

en sloeg hij een schreeuw om hun oren,

zo fel en zo schel, als zij nimmer tevoren

ooit mochten horen.

En zij scholden en sneerden

maar zwegen abrupt toen hij plots beweerde

van het beest dat zo'n geluid had uitgebraakt,

in hout een vijftal in het klein te hebben nagemaakt.

En Pamphuse stapte naderbij en zei:

Ik wil ze zien. Toon ze mij.

 

De houten beeldjes die voor Pamphuse stonden kwamen verrassend overeen met de beschrijving die Azeser van de dieren had gegeven.

Voorzichtig kwamen nu, in navolging van Pamphuse, ook andere grondenbewoners naderbij om te kijken. Weldra volgden er meer.

Maar in plaats van bewondering voor het houtsnijwerk te uiten klonken kreten van ongeloof die rap veranderden in foeteren, verwijten en verwensen.

“Je bent een leugenaar!” klonk het.

“Je bent gek! Dat kan helemaal niet!”

“Je doet als een God die alles weet!”

“Je hebt het allemaal zelf bedacht en verzonnen!”

“Je bent een schande voor het bestaan!”

 

Posoral dicht over dit treffen:

 

Over Verwijten en Verwensen

Doch toen Azeser liet zien wat hij had gemaakt

werd hij door verwijten en verwensen geraakt.

Het is niet waar!

Je bent een leugenaar!

zo beet men hem toe.

Alleen de Goden weten hoe

het eens moet zijn geweest.

We weten zeker dat elk beest

waarover jij nu spreekt,

door jou zelf verzonnen is

in je verdorven geest.

 

Pamphuse nam een van de beeldjes in haar handen. Haar gebaar deed het getier verstommen.

“Azeser liegt niet.” riep de Over de Kim Kijkster luid terwijl ze het beeldje omhoog hield. “Ik heb ze ook gezien! Deze dieren zijn op de gronden geweest!”

Zwijgend en als versteend blikte de menigte van haar naar Azeser.

Met haar andere hand pakte Pamphuse een tweede beeldje van de grond. Ook dat hief ze omhoog.

“Ik zeg jullie, Azeser liegt niet. Ook ik heb deze dieren gezien. Of is er iemand onder jullie die mijn woorden in twijfel trekt?”

Tijdens het zwijgen van de menigte zette de Over de Kim Kijkster de beeldjes weer op de grond.

Plotseling stoof een man naar voren en voor Azeser of Pamphuse iets kon doen, graaide hij de vijf beeldjes van de grond.

“Ze brengen ongeluk!” schreeuwde hij woedend en hij sloeg de koppen van de beeldjes tegen elkaar. “Dit is de Goden verzoeken!”

Terwijl een ieder verbijsterd toekeek rende de man naar de oever van de Boyte.

“Ongeluk!” schreeuwde hij. “Weg er mee!”

Met enkele wilde zwaaien smeet hij de beeldjes in het stromende water.

Pamphuse snelde op de schreeuwende man toe en greep hem bij zijn armen. “Je zult ze zelf stuk voor stuk uit het water moeten halen. Nu!”

Ook Azeser kwam naderbij. Hij schudde zijn hoofd. “Laat hem maar gaan.” zei hij. “Hij weet niet beter en ziet niet breder in het Bestaan.”

Pamphuse liet de man los en duwde hem met een nijdig gebaar tussen de menigte die Azeser geschrokken maar nieuwsgierig had gevolgd.

De Over de Kim Kijkster keek hen allen met vlammend vuur in haar ogen aan. “Ik zeg jullie, Azeser is geen leugenaar, noch een bedrieger. De dieren waar hij over heeft gesproken hebben geleefd op de gronden, in de zeeën die aan de gronden grenzen en nabij de wolken die over de gronden gaan. Azeser heeft jullie dat willen laten weten. Ik zeg jullie, de beelden die hier in de stroom zijn gesmeten, zullen eens terugkeren uit het water, hier bij de Bocht van Boyte. Maar groter, vele malen groter dan wat Azeser jullie met zijn van hout gemaakte voorbeelden heeft laten zien.”

In het zwijgen dat op haar voorspelling volgde, verdwenen Azeser en Pamphuse in het woud.

 

Posoral dicht over de laatste stappen naar deze voorspelling van Pamphuse:

 

Wat Pamphuse Bericht bij de Bocht van Boyte

Pamphuse keek de menigte aan,

en met de beeldjes in haar hand zei zij:

Het is waar, Azeser is geen leugenaar.

Ook ik heb ze eens aanschouwd,

ver achter de kim, zag ik de tijd waarin

hun wandeling over de Gronden ging.

Echter de Goden hebben eens beslist

dat hun voortgaan moest worden vermeden

en ze hebben hen uit het Bestaan gewist,

daarom zijn ze niet meer in het heden.

Ik zeg u, het is waar, Azeser is geen leugenaar.

 

Doch één man stoof op en schreeuwde: Stop!

Ze brengen ongeluk!

Hij greep de beelden beet

en sloeg ze op hun houten kop,

vóór hij ze stuk voor stuk,

in de stroming van de Boyte smeet.

Pamphuse toonde zich boos en kwaad

en sommeerde hem zonder dralen,

terug te komen op zijn daad

en elk beeld weer uit het water te halen.

Maar Azeser zei: Laat hem maar gaan.

Zijn blik is door de Goden gebonden,

aan slechts een klein deel van de Gronden

en ziet niets van een Breder Bestaan.

 

Het is toen dat Pamphuse liet weten,

dat elk beeld van de dieren,

zo blind in de Boyte gesmeten,

opnieuw de droge grond zal sieren

die het daar in duister verliet.

Terug uit het water, niet nu maar later,

in een tijd, ver weg in 't verschiet,

en van vernedering verschoond,

en groter dan eerder in hout is getoond.

Pamphuse vertrok en verdween,

en met haar ging ook Azeser heen.

 

De Over de Kim Kijkster keerde na haar bezoek aan de Bocht van Boyte terug naar Pampi, de zandheuvel nabij de Gronden van Aeme en Stelle. Van Azeser heeft men nooit meer iets vernomen. Maar kort na deze gebeurtenis bij de Bocht van Boyte, deed het gerucht de ronde dat Azeser Vanunis, de Almaarse God der Dieren zou zijn geweest. De Almaarse Goden hebben dat vermoeden nooit bevestigd, doch ook nooit ontkend.

Een ander verhaal vertelt dat Bidninghers het blazen en geschetter van Azeser door de uitgeholde tak hebben nagedaan. Dat ze op die manier nog meer muziek zijn gaan maken. Niet alleen de Bidninghers maar vele, vele anderen, hebben dit bericht bevestigd.

 

 

 


Over de Ontstaansgeschiedenis

Rond het Rad der Tijd
Bidningh Godenzoon of Banneling
De Onwerkelijke Wezens van Azeser
De Grot van Cavender
De Ensese velden
De Almaarse Dichter Posoral *


HOME